Kleine klassen, groot effect
Waarom kleine klassen beter werken voor hoogbegaafde leerlingen
Kortgeleden hoorde ik iemand zeggen: “Er komt geen onderwijswinst uit kleinere klassen.” Maar dat is te simplistisch. Onderzoek laat zien dat onder bepaalde omstandigheden kleinere klassen wel degelijk verschil maken. Vooral voor jonge kinderen en voor leerlingen die maatwerk nodig hebben, zoals hoogbegaafde leerlingen.
Wat zegt de wetenschap over kleinere klassen?
Het toonaangevende Project STAR-onderzoek uit de VS wordt vaak aangehaald als het sterkste bewijs dat kleinere klassen effect hebben. Tussen 1985 en 1989 werden ongeveer 7.000 kinderen willekeurig ingedeeld in klassen met 13–17 leerlingen (kleine klassen), of in klassen met 22–26 leerlingen (grotere klassen). Kinderen in de kleine klassen scoorden consequent hoger op toetsen, zowel op lezen als rekenen. Dit gold ook voor minderheidsgroepen. Ook bleven er minder kinderen zitten in de kleine klassen (een jaar overdoen). Risicoleerlingen werden bovendien eerder gesignaleerd, omdat leraren met kleine klassen meer tijd en aandacht hebben om kinderen te volgen die dreigen achter te blijven. Zo konden ze eerder ingrijpen of extra ondersteuning bieden.
Sommige effecten bleven ook lange tijd doorwerken: kinderen die in de beginjaren kleine klassen hadden gehad, bleven later ook gemiddeld beter presteren. Het onderzoek toont aan dat kleinere klasgroepen in de beginjaren van het onderwijs langdurige voordelen kunnen opleveren.
Een meer recente omvangrijke review uit 2018 keek naar 148 studies in 41 landen. De conclusie: er is hooguit een klein effect op leesprestaties.
De review concludeert dat het gemiddelde effect op academische prestaties klein is, iets wat beleidsmakers vaak onterecht aanhalen om te zeggen dat kleinere klassen te duur of inefficiënt zijn.
In Nederland is klassengrootte minder uitgebreid onderzocht dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, maar de studies die er zijn laten een vergelijkbaar beeld zien als de review uit 2018: Grote effecten op toetsresultaten worden meestal niet echt gevonden, behalve soms bij jonge kinderen. Tegelijkertijd wijzen Nederlandse analyses erop dat kleinere klassen vooral winst laten zien op aspecten die in veel onderzoek buiten beeld blijven, zoals rust, individuele aandacht, motivatie en het pedagogische klimaat. Dat zijn precies de factoren die voor hoogbegaafde leerlingen bepalend kunnen zijn voor welbevinden, leerruimte en het voorkomen van onderpresteren.
Onderwijswinst is meer dan de toetsresultaten
Wanneer onderzoekers concluderen dat kleine klassen “geen onderwijswinst” opleveren, bedoelen ze meestal alleen dat de toetsresultaten niet duidelijk omhooggaan. Onderwijswinst wordt in veel studies beperkt tot hogere scores op taal en rekenen. Maar dat is een te smalle definitie. Aspecten als motivatie, betrokkenheid, welzijn, rust in de klas, ruimte voor verdieping en de kwaliteit van contact met de leraar worden nauwelijks meegenomen, terwijl juist daar de winst van kleinere klassen vaak zichtbaar is. Voor leerlingen die juist floreren bij een meer persoonlijk klimaat en maatwerk, zoals hoogbegaafde kinderen, ligt de waarde van kleine klassen vooral buiten de toetsresultaten.
De gemene deler in onderzoek is: kleinere klassengrootte is geen garantie voor succes. De resultaten hangen sterk af van de context: de kwaliteit van de leraar, onderwijsmethodes, samenstelling van de klas, instructievormen, de mate van differentiatie, en hoe klein de klas precies is.
Oftewel, er is meer van belang dan puur de leerprestaties. Want hoe zit het met zaken als betrokkenheid, leerhouding, motivatie, gedrag(sproblemen) en welzijn? In kleinere klassen kunnen leraren vaker differentiëren, geven ze meer persoonlijke feedback, de klassfeer is rustiger, en leerlingen participeren meer.
Wat betekent dit voor hoogbegaafde leerlingen
Voor (hoog)begaafde leerlingen is klassengrootte van belang, maar misschien niet zozeer voor de toetsresultaten. Wat voor deze kinderen telt is:
Individuele aandacht, feedback en mogelijkheid tot verdieping of verbreding. In kleine klassen is er vaak meer ruimte voor maatwerk.
Meer uitdagende leeromgeving en minder overprikkeling of sociale druk: een kleinere klas kan voor sommige (hoog)begaafde kinderen rust bieden, en meer ruimte voor eigen tempo en denkstijl.
Tegelijk moet er dus wel vermeld worden: puur de klassen kleiner maken is gemiddeld genomen niet genoeg. Maatwerk en aandacht voor de eigenheid van elke leerling zijn cruciaal, en dat kan juist makkelijker wanneer de groepen kleiner zijn.
Waarom het niet per se klopt dat sommige onderzoekers zeggen: “Kleine klassen leveren geen onderwijswinst op”
De stelling dat “klassengrootte geen effect heeft” komt meestal voort uit brede gemiddelden over alle onderzochte leerlingen, in allerlei contexten. En ja, dan valt het effect inderdaad klein uit.
Dat is een ‘methodologisch’ probleem: gemiddelden maskeren enorme variatie. Het effect is namelijk aanzienlijk groter voor sommige leerlingen (zoals jonge kinderen, ‘kwetsbare’ leerlingen en hoogbegaafden) en vooral onder bepaalde settings: goede didactiek, ruimte voor eigenheid van het individu, maatwerk en bekwame leerkrachten die bereid zijn om maatwerk te bieden.
Bovendien kijkt de meeste literatuur naar toetsresultaten (lezen, rekenen). Maar leren is meer dan toetsen: motivatie, welbevinden, betrokkenheid, leerhouding, studiegedrag, sociale ontwikkeling. Uit praktijkverslagen en onderzoeken blijkt dat kleine klassen op die dimensies vaak wél verschil maken.
Voor hoogbegaafde leerlingen, die vaak behoefte hebben aan maatwerk, werken op eigen tempo, verdieping en compacten, kunnen kleinere klassen juist een setting bieden waar ze vol in ontwikkeling kunnen blijven.
De kosten van kleine klassen: hoe zit het met de balans?
Kleine klassen zijn duur. Je hebt meer lokalen en meer leraren nodig. Voor beleidsmakers is dat de grootste drempel: klassengrootte verlagen is een van de meest kostbare interventies in het onderwijs. Tegelijk blijkt dat de baten zich niet alleen beperken tot toetsresultaten. Kinderen die in kleine klassen starten, hebben gemiddeld een beter welzijn, later gemiddeld een hogere kans op diploma’s, betere arbeidsmarktuitkomsten en minder uitval. Die lange-termijnwinst weegt op tegen de kosten, vooral wanneer de maatregel gericht wordt ingezet samen met de juiste didactiek en expertise. De kern is dus niet of kleine klassen te duur zijn, maar of we het geld investeren in de juiste combinatie van klasgrootte, didactiek en expertise.
Conclusie
De claim dat kleinere klassen geen onderwijswinst opleveren, klopt niet helemaal. Kleine klassen leveren wél winst op in combinatie met goede didactiek, differentiatie en aandacht voor individuele behoeften. Vooral voor hoogbegaafde leerlingen kunnen kleine klassen meer zijn dan een luxe: ze kunnen de randvoorwaarden scheppen voor beter welzijn en meer leer- en ontwikkelingskansen.
Als je kijkt naar toetsresultaten alleen, is het effect bescheiden. Maar wie breder kijkt, naar motivatie, betrokkenheid, welzijn, uitdaging en maatwerk, ziet dat kleinere klassen onder bepaalde omstandigheden echt waardevol zijn. Vooral voor groepen die daar extra baat bij hebben, zoals hoogbegaafde leerlingen.
Bronnen
https://www.aft.org/education/publications/school-improvement/supporting-research-class-size
https://documentserver.uhasselt.be/bitstream/1942/46825/1/e80441d1-b91f-4eec-aabd-79094df42249.pdf
https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/37131395/
https://ncte.org/statement/why-class-size-matters
https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/21362641/


